De bepaling of ruimtes tot de thermische zone behoren gaat als volgt:

1.    In hoofdstuk 7.1 staan ruimtes genoemd, die per definitie nooit tot de thermische zone behoren. Een voorbeeld hiervan zijn clusters van bergingen in een woon- of combinatiegebouw en technische ruimtes van gebouwen met een GO van meer dan 500 m2.

2.    Van de resterende Overige ruimtes wordt met hoofdstuk 7.4  bepaald of ruimtes binnen of buiten de thermische schil vallen. 

Ruimtes die niet in de thermische zone vallen kunnen AVR, AOR of AOS of sterk geventileerd zijn. Voor de ruimtes die volgens H7.1 per definitie buiten de thermische zone vallen, wordt met figuur 8.19 bepaald of deze verwarmd, onverwarmd etc. zijn. Een berging of technische ruimte kan bijvoorbeeld op basis van figuur 8.19 aangemerkt worden als AVR, ook als deze geen afgiftesysteem heeft en niet jaarrond een temperatuur van meer dan 15 graden heeft.